Met Clavecin XX laat Justin Taylor horen dat het klavecimbel veel meer is dan een instrument dat alleen thuishoort in de barok. Zijn programma is volledig gewijd aan muziek uit de twintigste eeuw en vormt een overtuigend pleidooi voor de rijke en verrassende geschiedenis van het instrument in die periode. Daarbij kiest hij niet voor een chronologisch overzicht, maar voor een afwisselend programma waarin grote concertwerken worden afgewisseld met korte solostukken. Daardoor blijft de aandacht voortdurend behouden en krijgt de luisteraar steeds een andere kant van het klavecimbel te horen.
Het album begint met een korte bewerking van Bartóks Hommage à J.S.B., die meteen duidelijk maakt dat bekende muziek op het klavecimbel een heel eigen karakter kan krijgen. Daarna volgt het concerto van Jean Françaix, een werk vol energie, humor en elegantie. Françaix verwijst regelmatig naar oude dansvormen en barokke stijlen, maar doet dat met een moderne taal vol onverwachte harmonieën en ritmische wendingen. Justin Taylor speelt dit werk met veel lichtheid en beweeglijkheid. Zijn spel is helder en precies, zonder ooit droog of afstandelijk te worden. Hij laat de speelse kant van de muziek volledig tot zijn recht komen en houdt het geheel voortdurend levendig.
Na dit concerto volgt Bluesinuum van Stéphane Gassot, een eigentijds werk dat een eerbetoon is aan Ligeti. Het stuk gebruikt herhalende figuren en snelle bewegingen, maar blijft toegankelijk door de subtiele ritmiek en de bijna improviserende sfeer. Taylor weet de spanning langzaam op te bouwen en maakt van dit korte werk veel meer dan een eenvoudig tussendoortje. Het vormt een logische schakel tussen de verschillende stijlen die op het album samenkomen.
Het concerto van Górecki laat vervolgens een totaal andere wereld horen. Hier verdwijnen de speelsheid en de elegantie vrijwel volledig. De muziek is direct, krachtig en soms bijna meedogenloos. Het klavecimbel krijgt een ritmische rol die voortdurend wordt uitgedaagd door het strijkorkest. Vooral in het tweede deel stapelen de akkoorden en ritmes zich op tot een enorme spanning. Taylor behoudt daarbij steeds volledige controle en laat horen dat het klavecimbel ook uitstekend geschikt is voor muziek waarin kracht en ritme belangrijker zijn dan versiering of verfijning. Juist doordat hij nergens probeert de muziek zachter of vriendelijker te maken, komt de intensiteit van Górecki’s compositie volledig over.
Het middelpunt van het album is zonder twijfel Poulencs Concert champêtre. Dit is misschien wel het bekendste klavecimbelconcert uit de twintigste eeuw en het laat horen hoe oud en nieuw met elkaar kunnen samengaan. Poulenc gebruikt vormen en gebaren uit de barok, maar vult die aan met een heel eigen melodische en harmonische taal. Het resultaat is een werk dat voortdurend verrast. Soms klinkt het statig en plechtig, even later juist speels, lyrisch of bijna komisch. Taylor begrijpt deze afwisseling uitstekend. Hij speelt met veel gevoel voor karakter en weet de vele stemmingswisselingen natuurlijk te laten verlopen. Zijn spel blijft steeds helder, waardoor de vaak ingewikkelde structuur van het werk gemakkelijk te volgen is.
Na Poulenc zorgt het korte stuk van Martinů voor een moment van rust. De eenvoudige opzet en de heldere melodieën vormen een mooi contrast met de grote concertwerken. Taylor speelt deze muziek zonder nadruk of overdrijving. Daardoor ontstaat een aangename adempauze voordat het laatste grote werk begint.
Het concerto van Manuel de Falla sluit mooi aan bij de neoklassieke sfeer van Poulenc, maar heeft een heel eigen karakter. De bezetting is kleiner en de muziek is compacter opgebouwd. Spaanse ritmes en oude muziek worden op een natuurlijke manier met elkaar verbonden. Taylor speelt met veel gevoel voor de dansante ritmes en de scherpe accenten, terwijl de kamermuzikale samenwerking steeds vanzelfsprekend blijft. Geen enkele stem probeert de aandacht op te eisen; alles staat in dienst van het geheel.
Als afsluiting kiest Taylor voor Scott Joplins beroemde Maple Leaf Rag. Dat is misschien de meest verrassende keuze van het album. Een ragtime op klavecimbel klinkt heel anders dan op piano. Sommige luisteraars zullen deze bewerking speels en origineel vinden, terwijl anderen het typische karakter van de ragtime zullen missen. Toch past het stuk goed binnen het idee achter dit album. Het laat nog één keer horen dat het klavecimbel zich niet gemakkelijk in één stijl of één tijdperk laat opsluiten.
Wat dit album bijzonder maakt, is niet alleen de kwaliteit van de uitvoeringen, maar vooral de zorg waarmee het programma is samengesteld. De vier concerten verschillen sterk van karakter, maar vormen samen een overtuigend beeld van de mogelijkheden die componisten in de twintigste eeuw in het klavecimbel zagen. De korte solostukken verbinden deze grote werken op een natuurlijke manier en zorgen ervoor dat het album als één geheel aanvoelt in plaats van als een verzameling losse composities.
Justin Taylor bewijst opnieuw dat hij een musicus is met een brede muzikale nieuwsgierigheid. Hij speelt deze muziek niet alsof zij een verlengstuk van de barok is, maar behandelt ieder werk vanuit zijn eigen stijl en karakter. Daardoor krijgen zowel de humor van Françaix, de dramatiek van Górecki, de verfijning van Poulenc als de ritmische kracht van De Falla hun eigen plaats. Clavecin XX is daardoor veel meer dan een verzameling moderne klavecimbelmuziek. Het is een overtuigend portret van een instrument dat in de twintigste eeuw een verrassend nieuw leven kreeg en waarvan de veelzijdigheid nog altijd inspireert.
ALPHA1041 http://www.outhere-music.com