Festival 20 21: New York – Parijs (en terug) op acht handen

Vier pianisten zorgen voor aangename moodswings

by Knopskaya

Het instrument waarop de meeste mensen hun eerst stappen in de muziek zetten, actief of als begeleiding? Het klavier. Vanaf de vroegste pianoforte – uitgevonden door Bartolomeo Cristofori (1655-1731) – bleef het instrument groeien tot een volwaardige piano met 88 toetsen. Er konden dus meer dan zes octaven worden overspannen, waardoor het instrument de klanken van het hoogste en laagste instrument binnen een orkest kon benaderen. De piano werd bijgevolg een klein orkest op zichzelf, waardoor er flink wat orkestmuziek aan kan/kon worden aangepast. Stel nu dat je twee piano’s inzet en daar 4 pianisten op  laat spelen?

Orkest op klavier
Laat dat het orkestrale vuurwerk zijn dat we konden horen in de concertzaal van de LUCA School of Arts Campus Lemmens te Leuven. De pianisten van dienst waren stuk voor stuk muzikanten die zich verdiepten in de totale mogelijkheden van hun instrument  door verschillende genres te exploreren uit verschillende tijden; van barok, over jazz naar minimalisme en avant-garde – Pascal Sigrist, Muhiddin Dürrüoğlu, Alexander Gurning en Eugène Galand. De componisten die in de kijker werden gezet, waren eveneens met vier, en componeerden voornamelijk tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw – George Gershwin, Morton Feldman, Maurice Ravel en Edgard Varèse. Hier en daar was er een overzeese connectie. Maar vooral, ze waren totaal piano-gek.

George Gershwin (1898-1937) kwam als kind in aanraking met de piano die eigenlijk voor zijn oudere broer Ira was bestemd. Hij evolueerde in no time van kwajongen naar klassiek pianovirtuoos met een extra gevoelig oor, dat hem aan het componeren zou  zetten. Toen hij door de Tin Pan Alley in New York werd geëngageerd als song plugger (iemand die liedjes aan de man brengt) binnen de radio- en amusementssector, ontwikkelde hij ook affectie voor lichtere genres, die hij in zijn composities verwerkte – volwaardig klassiek met een knipoog naar Broadway. Swing en Big Band loeren steeds om de hoek, gecombineerd met lichte strijkpartijen. Hij bezocht Parijs in 1928, nadat hij Maurice Ravel in New York had ontmoet en probeerde er in de leer te gaan bij Nadia Boulanger, die hem wegstuurde wegens volleerd. Toch was het geen kale reis, want het werd de geboorte van het symfonische gedicht An American in Paris, waarin hij de stad laat opleven en waarbij hij het Franse impressionisme eert. Het waren Alexander Gurning en Muhiddin Dürrüoğlu die dit tafereel op twee piano’s tot leven wekten, met jazzy houding, soms zelfs een beetje futuristisch met knipoog naar de Amerikaanse muziek die de komende decennia nog zou volgen – of laat dat het typische piano effect zijn.

En toen werd het even ingetogen stil, minimalistisch stil om exact te zijn. De Vertical Thoughts 1 uit 1953 van Morton Feldman (1926-1987). Feldman wist heel jong wat hij zelf wilde, en koos adviesloos en op eigen gevoel zijn piano. Klank is alles. Hij ontdeed klank van verhaal en ritme en zorgt ervoor dat het op één aaneengeschakelde lijn naast mekaar komt te staan. Meestal is geluid een horizontaal gelaagd gegeven, hij zorgt ervoor dat dingen mekaar opvolgen en slaagt er zelfs in om dat orkestraal en met zo weinig mogelijk noten te doen. Er zijn wel connecties, zoals toonhoogtes die worden doorgegeven en waarop verder wordt geborduurd. Feldman wordt op een lijn gezet met de composities van John Cage. Hij zou bij zijn eerste bezoek aan Cage overdonderd zijn door de schoonheid van zijn lege appartement, waardoor hij resoluut overtuigd raakte van het minimalisme. Met zo weinig mogelijk inzet, een zo perfect mogelijke klank creëren. Dit wordt dan ook graag gelinkt aan de klankkleurvlakken binnen de color field paintings van Mark Rothko. In totaal maakte Feldman zeven van deze composities, al zijn er van de laatste twee enkel schetsen beschikbaar. Feldman maakt er geen geheim van dat de Kabbala de stille ondertoon vormt voor zijn werk. Mooi integer neergezet door Pascal Sigrist en Eugène Galand. Een moment om gedachten te laten wegvloeien en plaats te laten maken voor de kracht van pure klank.

Het was Maurice Ravel (1875-1937) die La Valse schreef in 1920. Het lijkt een beetje op een scheppingsverhaal en dat is het ook; de schepping van de Weense Wals. Er borrelt iets op uit de diepte waar geen vinger op te zetten is. Alle harmonie is zoek en het lijkt alsof er een duivel onvoorspelbaar op de dansvloer staat. Men zou kunnen denken dat het het begin is van een walsenketting, zoals An der schönen Blauen Donau van Johann Strauss, de wals aller walsen. Maar toch, het blijkt één grote paradox tussen een geordende dans en een hoop chaos. Het ritme zet het op een loop en het wordt soms zelfs unheimlich. Een zware bevalling dus, die geboorte. Ravel zelf zag er echter wel beweging in. Hij was een bewonderaar van Strauss en  van het les Ballets Russes. Zo kwam hij tijdens de realisatie van Daphnis et Chloë in contact met Sergei  Diaghilev, de man achter het ballet. Er ontstond een vriendschap. Toch (volgens de getuigenis van Francis Poulenc) zou er een einde komen aan hun contact, nadat Ravel de pianoreductie voorstelde van zijn wals, die volgens Diaghilev ondansbaar zou zijn. Toch zou het stuk als grote instrumentale klassieker de geschiedenis ingaan. Hetgeen werd bewezen door Muhiddin Dürrüoğlu en Pascal Sigrist in een arrangement voor 2 piano’s. Een waar huzarenstuk dat het publiek naar het puntje van hun stoel dwong.

Edgard Varèse (1883-1965) beschouwde Amériques als zijn absolute grote compositiedebuut. Hij ging zelfs nog een stapje verder dan Morton, en beschouwt alle klank als muziek in dus als toepasbaar binnen zijn werk. In 1915 emigreerde de Fransman naar de Verenigde Staten, waar men tijdens de première niet meteen enthousiast was over “het gefluit en geschreeuw” en het als een belediging opnam. Toch heeft het stuk een duidelijk doel, het gaat over het ontdekken van nieuwe (klank)werelden en de verbazing die daarmee gaat gepaard. Het is georganiseerd geluid. De vier pianisten van dienst zetten het grote werk achthandig in kaart. Men moet toegeven, het was even wennen, maar dankzij de nodige expertise aan het klavier werd het uiteindelijk de apotheose van de avond. Het was Varèse zelf die trouwens het arrangement schreef. Men neemt een ritmische stuwing weer, als de aanvoering van een supergrote klankmachine.

 

Festival 20 21 slaagt hiermee opnieuw in het opzet om de klassiekers van morgen nu te belichten, steeds ondersteund door een degelijke inleiding, – ook perfect volgbaar door niet-musicologen trouwens.

https://www.festival2021.be

Foto: ©Kevin Gaudeus
Inleidende lezing: Klaas Coulembier

Gezien op 14 oktober 2021

 

Misschien houdt u ook van: