Marie Chimkovitch – klanken zien en raken

by Knopskaya

Een concert is zoveel meer dan het uitvoeren van composities. Het is de leefwereld van de muzikant die zich vermengt met die van de componist om vervolgens die hele atmosfeer in de richting van het publiek te kunnen sturen. Het is een vorm van communicatie waarbij klanken treffend meer zeggen dan woorden en waarbij we allen onze eigen realiteit beleven terwijl we diezelfde klanken in ons hoofd en hart binnenlaten en omarmen. Dit maakt de ervaring van kunstenares Marie Chimkovitch (artiestennaam van Marieke Van Acker, Gent, 1977) oprecht, ze schept een dromerig maar gevoelsmatig realistisch beeld van de musici en hun concerten. Haar academische achtergrond zijn Romaanse talen.  Als autodidacte in de kunst liet ze jarenlang landschappen, muziek, mensen en droomwerelden spreken via haar schilderijen. Zo schildert ze  vaak live tijdens concerten. Ze leg vast wat op het moment zelf in haar opkomt. Geen eindeloos nadenken, maar puur, onbevangen. Aanwezigen beamen vaak haar schilderij door zich bij het aanschouwen terug in de atmosfeer van het gebeuren te begeven.

Er vinden momenteel geen concerten plaats, dus hoog tijd om de mensen aan het woord te laten die het gebeuren telkens zoveel waardevoller maken.

Marie Chimkovitch

“Kunst is voor mij per definitie een meervoud. Ik groeide op met een voorliefde voor verschillende kunstvormen: muziek, dans, woord en plastische kunsten. De plastische kunsten waren daarbij aanvankelijk misschien het minst dominant. In het begin waren ze vooral gelinkt aan het tekenen.”

Exotisch
“Mijn eerste bewuste herinnering aan tekenen dateert van toen ik als kind – een jaar of zes? – een en al bewondering was voor ballerina’s. Mijn beroepskeuze stond vast: ik zou absoluut ballerina worden en dus tekende ik ook ballerina’s met alles erop en eraan : tutu, pointes en lintjes in het haar. Later kreeg ik van één van mijn klasgenootjes die naar een verjaardagsfeestje kwam een tekenblok. Daar wilde ik echt goede tekeningen in. Wat ik er precies allemaal in tekende weet ik niet meer, maar ik herinner me heel duidelijk twee portretten, één van “een Chinese vrouw” en één van “een Japanse vrouw”. Die exotische gezichtstrekken moeten mij op een of andere manier hebben aangesproken, hoewel ik, behalve Oshin op tv, helemaal niet in contact kwam met Chinese of Japanse mensen. Ik tekende ook een meisje, een soort onbewust zelfportret.”

Heksen en perspectieven
“Toen ook uit de teken- en schilderopdrachten op de middelbare school, voor het vak Plastische Opvoeding, bleek dat tekenen iets was waarin ik gestimuleerd kon worden, werd ik ingeschreven in de tekenacademie in Roeselare. Niet zo eenvoudig, want het betekende dat ik elke zaterdagnamiddag tot daar gebracht moest worden (op 30 km van huis) en ook terug moest afgehaald worden. Terwijl de muziekacademie gewoon aan het eind van onze straat lag. Het eerste jaar kreeg ik er les van een oudere, ietwat norse leerkracht. Echt een kunstenaarstype met halflang grijs haar en zwart lint boven een witte blouse. Mijnheer Van Pottelberge. Hij leerde mij vooral observeren. Als nieuwkomer – de andere jongeren in de groep kende hij al – moest ik beginnen met blokken in perspectief te tekenen. Later, toen we met de hele groep samen om een stilleven zaten en hij langskwam om te zien wat we er van maakten, zei hij me, op een bijna angstaanjagende manier, “gij zijt een heks die ongelofelijk goed kan tekenen”. Het is me altijd bijgebleven. Jammer genoeg verdween hij daarna snel van het toneel. Ik heb nooit geweten wat er verder van hem is geworden.”

Frankrijk
“Een belangrijk keerpunt kwam er toen ik in Bergues in Noord-Frankrijk een teken- en schilder-vijfdaagse kon volgen, dankzij het gastgezin waar ik logeerde om Frans te leren. Ze hadden mijn leeftijdgenootje en mezelf ingeschreven zodat we een activiteit hadden tijdens de Paasvakantie. De vijfdaagse was eigenlijk bestemd voor volwassenen en opgevat als een exploratie van verschillende schildertechnieken. Elke namiddag een andere techniek, op het eerste verdiep van het belfort van Bergues. Houtskool, potlood, aquarel, pastel, olieverf. De lessen waren heel aangenaam en de leerkracht heel goed. Ik vond het fantastisch. Hier groeide bij mij echt het bewustzijn dat ik talent had hiervoor. Ik werd creatiever, ontwierp bv. de kostuums voor ons eindwerk in de toneelklas, schilderde affiches voor een maaltijd die we op school organiseerden voor een goed doel, maakte tekeningen om mijn schriften mee in te kaften, posters om cadeau te doen aan vrienden, een portret van mijn moeder, …”

Aquarellen, engelen en spiegels
“Maar in mijn familie werd schilderen nooit beschouwd als een mogelijke beroepskeuze. Het kwam ook nooit bij mij zelf op. Toen ik mijn middelbare school afwerkte wist ik helemaal niet wat ik zou gaan doen. Ik had voor alles heel goede resultaten en het leek voor velen voor de hand liggend dat ik ingenieur(-architect) of geneeskunde of zo zou gaan doen. Ik kwam uiteindelijk uit op toneel. Het leek mij de perfecte weg om al mijn creatieve activiteiten verder te kunnen blijven combineren: acteren, piano spelen, tekenen en schilderen (via decor- en kostuumontwerp). Maar toen ik slaagde voor het ingangsexamen aan de studio Herman Teirlinck werd de druk toch te groot en besloot ik om eerst toch maar iets anders te gaan doen, voor de zekerheid. Mijn ouders opgelucht. Dus ik begon Romaanse talen in Gent.

Daar leerde ik Arthur (nu mijn man) kennen, die er assistent Franse literatuur was. Ons verhaal begon met een aquarel die ik hem toestuurde om hem te bedanken. Later stuurde ik hem tal van kleine schetsjes. Hij moedigde me aan en zo organiseerden we in 1997 mijn allereerste tentoonstelling Les êtres-anges. Centraal stond hier het idee dat er in de wereld tal van engelachtige aspecten zijn, dankzij de schoonheid van een dansbeweging, een glimlach, een houding, …

De jaren die volgden waren om verschillende redenen moeilijke jaren. Het schilderen verschoof noodgedwongen naar de achtergrond en ik wijdde me vooral aan mijn studies. Maar nadat ik mijn doctoraat behaalde, in 2004, voelde ik een ontembare drang – mede dankzij een muzikale ervaring – om aan het tekenen te slaan. Nood om mezelf terug te vinden. Ik begon toen met een paar zelfportretten en evolueerde verder naar pseudo-zelfportretten van vrienden en uiteindelijk een tweede tentoonstelling, Miroirs in Brussel in 2007. Van toen af aan heb ik het schilderen nooit meer willen loslaten.

Muziek, 
“Tijdens mijn jeugd was mijn beste vriend mijn piano. Ik speelde uren per dag en vond een onuitputtelijk plezier om stukken te spelen, opnieuw en opnieuw, omdat ik ze zo mooi vond. In die zin was muziek tijdens mijn jeugd veel prominenter aanwezig dan tekenen. Maar ook piano werd niet beschouwd als een geldige beroepskeuze. Wel werd aanvaard dat ik een elektrische piano kocht voor op kot. Ik kon me niet inbeelden zonder piano te leven. Piano spelen gaf me tegelijk plezier, rust en energie.

Met Arthur deelde ik de liefde voor muziek en piano in het bijzonder. We gingen naar concerten, meer en meer. Met de Elisabethwedstrijd van 2003, toen Severin von Eckardstein de eerste prijs kreeg, veranderde er voor mij iets substantieels in mijn ervaring als luisteraar. Het was alsof de muziek voor het eerst tot me sprak, letterlijk. Een heel pakkende ervaring, bijna mystiek. Sinds toen is mijn beleving van muziek helemaal veranderd. Ik kan er, afhankelijk van de uitvoerder, helemaal in opgaan, om in andere, parallelle werelden te evolueren. Sinds enkele jaren probeer ik die ervaringen ook visueel te vertalen.

Parallel kreeg ik, vanaf 2013, de kans om als schilder betrokken te worden bij muzikale evenementen. Er was Place musette, tijdens de Gentse Feesten, waar elke avond een andere kunstenaar werd uitgenodigd om live een werk te maken tijdens het concert. En er was het Festival Mozart in Waterloo, dat een vernieuwende weg in wilde slaan met o.m. bruggen naar andere kunstvormen. Ik mocht er schilderen tijdens alle concerten van het festival, een week lang. De druk was groot omdat er veel muzikanten waren – een 12-tal – en de verwachtingen hoog gespannen waren: ik zou portretten maken van alle muzikanten. Het was een enorme uitdaging: werken verwezenlijken op heel korte tijd – de duur van een compositie, soms maar een 10-tal minuten – én erin slagen op de muzikanten op een herkenbare manier af te beelden. Dit terwijl ik vaak op een betrekkelijk grote afstand én in het donker moest werken. Er moest ook altijd op- en afgebroken worden, met alle materiaal gesjouwd worden, enz. Een bijzonder intensieve week. Maar het resultaat was er, en ik had de smaak te pakken. Ook dit was een breukmoment: enerzijds de vaststelling dat ik dat kon; die bewegingen vatten en vastleggen, en anderzijds de ervaring om op die manier helemaal in de muziek opgenomen te worden, om de energie ervan zo tastbaar te voelen en te transformeren. Ik keerde jaar na jaar terug naar het Festival Mozart en gaandeweg besloot ik om ook tijdens andere concerten, als toeschouwer, schetsen te maken, ook op plaatsen waar het moeilijk was (bv. omwille van de zichtbaarheid, duisternis, …). Maar het was een goede oefening. Een paar keer tekende ik ook tijdens de Brussels Chopin Days. En zo groeide ook hier een samenwerking. De uitdaging hier was om, ondanks een visueel bijzonder repetitief gegeven – eenzelfde locatie, eenzelfde instrument en een weinig variërend perspectief – toch telkens een originele creatie te verwezenlijken. Het zette mij aan om meer en meer afstand te nemen van het portretteren van de muzikant, en meer en meer te proberen om de muziek te schilderen, zoals die door de muzikant gecreëerd wordt.”

http://www.Marie-Chimkovitch.net

Foto’s: ©Arthur Chimkovitch

Misschien houdt u ook van: