De derde finaleavond van de Koningin Elisabethwedstrijd voor cello bracht twee jonge musici samen die opvallend verschillende artistieke persoonlijkheden lieten horen, ondanks het feit dat ze exact hetzelfde programma uitvoerden. Zowel Ettore Pagano als Clara Dietlin begonnen met het verplichte werk Four Odes to the Tidings of Flowers van Fang Man en kozen daarna allebei voor het monumentale Symfonieconcerto van Sergej Prokofjev. Daardoor kreeg het publiek een zeldzame kans om niet alleen twee interpretaties van hetzelfde concerto te vergelijken, maar ook twee totaal verschillende manieren van musiceren te ontdekken.
Het verplichte werk van Fang Man bevestigde opnieuw hoe belangrijk deze compositie is binnen de finale. Het vraagt niet alleen technische beheersing, maar ook een grote verbeeldingskracht en een sterk gevoel voor kleur en spanningsopbouw. Ettore Pagano koos voor een directe en energieke benadering. Vanaf de eerste maten viel zijn intensiteit op. Hij gaf de ritmische accenten veel profiel en bracht de verschillende episodes van het werk met een sterke dramatische lijn. Zijn spel had voortdurend beweging en richting, waardoor de muziek een bijna verhalend karakter kreeg. De meer lyrische momenten behielden hun warmte, maar ook daar bleef een onderliggende spanning voelbaar.
Clara Dietlin koos voor een meer introspectieve en poëtische interpretatie. Waar Pagano de nadruk legde op contrast en dramatiek, werkte Dietlin veel meer vanuit sfeer en nuance. Haar toonvorming was bijzonder verfijnd en ze nam tijd om kleine details in de partituur hoorbaar te maken. De overgangen tussen de verschillende delen van het werk verliepen vloeiend en natuurlijk, waardoor haar interpretatie een grote samenhang kreeg. Ze zocht minder naar scherpe effecten en meer naar een continue muzikale ademhaling. Daardoor kreeg het werk bij haar een bijna meditatieve kwaliteit.
Die verschillen werden nog duidelijker in Prokofjevs Symfonieconcerto, een van de moeilijkste werken uit het volledige cellorepertoire. Het concerto vraagt niet alleen enorme technische controle, maar ook het vermogen om structuur te bewaren binnen een vaak complexe en grillige muzikale taal. Ettore Pagano bracht een uitvoering vol energie en overtuiging. Zijn spel straalde zelfvertrouwen uit en hij stortte zich met grote gedrevenheid op de enorme uitdagingen van de partituur. Vooral in de virtuoze passages maakte hij indruk met zijn kracht, snelheid en scherpe ritmische precisie.
Wat zijn interpretatie bijzonder maakte, was de spontane intensiteit waarmee hij de muziek benaderde. Hij speelde met grote fysieke betrokkenheid en gaf de dramatische momenten een uitgesproken karakter. De grilligheid van Prokofjevs muziek kreeg bij hem iets onvoorspelbaars en levends. Tegelijk verloor hij de lyrische kant van het concerto niet uit het oog. In de meer introspectieve passages liet hij zijn toon mooi openen en bracht hij momenten van rust binnen de vaak turbulente muzikale stroom.
Clara Dietlin koos voor een andere weg. Haar interpretatie was minder explosief, maar viel op door haar elegantie, controle en helderheid. Zij benaderde het concerto meer vanuit de structuur van de muziek en bouwde haar interpretatie zorgvuldig op. Waar Pagano vaak de dramatische contrasten benadrukte, zocht Dietlin eerder naar continuïteit en balans. Haar techniek was indrukwekkend beheerst, maar nooit nadrukkelijk aanwezig. Alles leek vanzelfsprekend uit de muziek voort te komen.
Bijzonder sterk was haar aandacht voor klankkleur. Ze wist binnen Prokofjevs soms hoekige taal veel subtiliteit te vinden en gaf de lyrische passages een opvallende gevoeligheid. Daardoor kreeg haar interpretatie een zekere verfijning die mooi contrasteerde met de monumentale kracht van het werk. Ze liet horen dat dit concerto niet alleen draait om virtuositeit, maar ook om nuance en muzikale intelligentie.
Het Belgian National Orchestra begeleidde beide finalisten met grote inzet onder leiding van Antony Hermus. De complexe orkestpartij van Prokofjev vraagt voortdurende alertheid en een goede balans tussen orkest en solist. Tijdens beide uitvoeringen bleef de samenwerking hecht en flexibel, waardoor de rijkdom van de partituur volledig tot haar recht kwam.
Wat deze derde finaleavond zo boeiend maakte, was precies het feit dat twee musici met hetzelfde programma toch totaal verschillende muzikale werelden konden creëren. Pagano overtuigde met zijn directe expressiviteit, zijn spontane energie en zijn uitgesproken dramatische aanpak. Dietlin maakte indruk met haar verfijning, haar poëtische gevoeligheid en haar zorgvuldig opgebouwde muzikaliteit. Ook in het verplichte werk kwamen die verschillen sterk naar voren: waar de ene vooral spanning en contrast zocht, koos de andere voor sfeer en nuance.
Beide finalisten bewezen daarmee niet alleen over uitzonderlijke technische kwaliteiten te beschikken, maar vooral ook over een duidelijke artistieke persoonlijkheid. Daardoor groeide deze derde finaleavond uit tot een van de meest interessante confrontaties van de finaleweek, waarin twee verschillende visies op dezelfde muziek elkaar aanvulden en verrijkten.
Foto: QEC