Johann Michael Nicolai is geen componist die meteen een bekende naam oproept. Toch is hij een interessante figuur in de Duitse muziek van de zeventiende eeuw. Hij werkte lange tijd aan het hof in Stuttgart en schreef onder meer muziek voor twee en drie viola da gamba’s. Met deze cd brengt François Joubert-Caillet samen met L’Achéron het bewaard gebleven repertoire van Nicolai voor deze bezetting bijeen. Het resultaat is een programma dat vooral interessant is omdat het een minder bekende kant van de Duitse barok laat horen.
Nicolai leefde in een periode waarin verschillende muzikale stijlen naast elkaar bestonden. Dat is in deze muziek goed te horen. De Italiaanse sonate, met haar afwisseling van langzame en snelle delen en haar levendige stemmen, staat naast de Franse suite met haar dansvormen. Nicolai probeert die stijlen niet helemaal tot één nieuwe taal samen te smelten. Juist het naast elkaar bestaan ervan geeft de muziek haar karakter.
De viola da gamba speelt daarbij een opvallende rol. Dit instrument wordt vaak verbonden met de ingetogen en verfijnde Franse gambamuziek van componisten als Sainte-Colombe en Marin Marais. Nicolai gebruikt de gamba echter op een andere manier. Zijn muziek is beweeglijker en heeft vaak een duidelijk Italiaans karakter. De stemmen reageren op elkaar en nemen geregeld een meer zelfstandige rol aan. Vooral in de sonates ontstaat daardoor een soort gesprek tussen de instrumenten.
Dat gesprek is een van de sterke punten van deze uitvoering. Joubert-Caillet speelt niet alsof de eerste gamba steeds de hoofdrol moet hebben. De verschillende stemmen krijgen ruimte en de musici luisteren duidelijk naar elkaar. Dat is belangrijk bij deze muziek, want veel van het effect ontstaat niet uit grote melodieën, maar uit kleine muzikale reacties tussen de partijen. Een motief verschijnt in de ene stem en krijgt vervolgens een antwoord in een andere. L’Achéron maakt die verbanden goed hoorbaar zonder ze overdreven te benadrukken.
De uitvoeringsstijl is levendig. Vooral de snelle delen hebben een duidelijke dansende beweging. De musici vermijden een zwaar of plechtig beeld van de muziek. Dat is een goede keuze, want Nicolai schrijft weliswaar voor lage strijkinstrumenten, maar zijn muziek is vaak verrassend licht en beweeglijk. De Courantes, Giga’s en Ciacona’s krijgen daardoor voldoende energie. Tegelijkertijd worden de langzame delen niet sentimenteel gemaakt. Ze blijven eenvoudig en geconcentreerd.
Een interessant voorbeeld is de Sonata & Suite in C majeur. Het werk begint met een kort Preludium en een Fantasia, waarna een deel volgt waarin Adagio en Allegro elkaar afwisselen. Die afwisseling is kenmerkend voor Nicolai. Hij bouwt zijn sonates niet altijd op als grote, duidelijk afgebakende delen, maar laat verschillende stemmingen in elkaar overlopen. L’Achéron houdt de overgangen soepel, waardoor de muziek als een geheel blijft klinken.
De Sonata & Suite in A mineur voor twee gamba’s is misschien nog interessanter. Hier krijgt Nicolai meer ruimte om contrasten te maken. De langzame en snelle passages volgen elkaar op en de muziek krijgt daardoor een meer uitgesproken dramatische beweging. Toch blijft Nicolai binnen betrekkelijk eenvoudige grenzen. Hij is geen componist die voortdurend naar grote verrassingen zoekt. Zijn kracht ligt eerder in het combineren van korte ideeën en in het ritme waarmee die ideeën elkaar opvolgen.
Dat brengt ons ook bij een mogelijke beperking van deze cd. Nicolai is geen componist van het formaat van Buxtehude, Schmelzer of Telemann. Wie hier voortdurend melodieën verwacht die zich na één keer luisteren vastzetten, kan enigszins teleurgesteld zijn. Sommige delen lijken vooral te leven van hun beweging en onderlinge samenhang. Wanneer men de muziek afzonderlijk bekijkt, zijn niet alle stukken even sterk of even persoonlijk.
Toch zou het onjuist zijn om de cd daarom als louter een historische curiositeit te beschouwen. Nicolai heeft een eigen manier om Italiaanse en Franse elementen te combineren. Vooral zijn behandeling van de viola da gamba is interessant. De instrumenten worden niet alleen gebruikt om een donkere klank te produceren, maar krijgen een actieve, soms bijna virtuoze rol. In sommige passages lijkt de muziek eerder voor violen geschreven te kunnen zijn en daarna naar de gamba te zijn overgebracht. Dat geeft de werken een ongebruikelijke spanning.
De bezetting van drie gamba’s levert daarbij weer een ander geluid op. De stemmen worden dichter op elkaar geplaatst en het samenspel wordt complexer. De derde gamba heeft soms een ondersteunende functie, maar is niet simpelweg een achtergrondstem. Daardoor ontstaat een mooie balans tussen polyfonie en concertant spel. De musici van L’Achéron zijn hier bijzonder overtuigend, omdat ze de verschillende stemmen duidelijk van elkaar onderscheiden zonder de eenheid van het ensemble te verliezen.
Een bijzonder onderdeel van het programma is de anonieme Sonata a 3 in A mineur. Die wordt naast de werken van Nicolai geplaatst en maakt duidelijk dat de muziek in deze periode deel uitmaakte van een bredere Duitse traditie. Het anonieme werk is zelfs een van de aantrekkelijkste stukken van de cd. Het is een nuttige aanvulling, omdat het voorkomt dat het programma uitsluitend als een verzameling werken van één weinig bekende componist wordt ervaren.
Ook de suites zijn belangrijk voor het totaalbeeld. In de Allemandes, Courantes, Sarabandes en Giga’s wordt de invloed van de Franse dansmuziek duidelijker. Toch klinken deze stukken niet helemaal zoals de latere Franse gambamuziek. Ze zijn minder verfijnd en minder versierd, maar ook directer. De dans blijft duidelijk aanwezig. L’Achéron speelt deze delen met een goed gevoel voor ritme. Ze worden niet overdreven langzaam of elegant gemaakt, maar behouden iets natuurlijks en lichamelijks.
De Sarabande met variaties en de Ciacona aan het einde van het programma laten bovendien zien dat Nicolai goed weet hoe hij een eenvoudig muzikaal uitgangspunt kan uitbouwen. Hij heeft niet de neiging om eindeloos te variëren. Zijn variaties blijven overzichtelijk, waardoor de structuur duidelijk blijft. Dat past goed bij de aanpak van L’Achéron, die vooral gericht is op helderheid en beweging.
Joubert-Caillet is als gambist zeer geschikt voor dit repertoire. Hij heeft in zijn uitvoeringen van zeventiende- en achttiende-eeuwse muziek vaker laten horen dat hij niet alleen aandacht heeft voor de mooie klank van de gamba, maar ook voor het ritmische en bijna instrumentale karakter van het instrument. Dat laatste is hier van groot belang. Nicolai vraagt geen voortdurende intimiteit, maar een speler die ook kracht, snelheid en scherpte in het spel kan leggen.
Het belangrijkste oordeel over deze cd hangt daarom af van de verwachtingen waarmee men luistert. Wie op zoek is naar een meesterwerk dat zich kan meten met de bekendste muziek voor viola da gamba, zal Nicolai waarschijnlijk wat bescheidener vinden. Wie echter geïnteresseerd is in de ontwikkeling van de Duitse kamermuziek en in de manier waarop Italiaanse en Franse invloeden daar samenkomen, krijgt hier een zeer waardevolle kennismaking.
De verdienste van L’Achéron is vooral dat de muziek nergens wordt opgeblazen. De uitvoerders proberen Nicolai niet groter te maken dan hij is. Ze spelen de muziek met overtuiging, maar laten ook ruimte voor de eenvoud en de beperkingen van het materiaal. Daardoor ontstaat uiteindelijk een geloofwaardig beeld van een componist die misschien geen grote vernieuwer was, maar wel een vaardig en interessant vakman.
Deze cd is dan ook vooral een ontdekking. De muziek is niet overal even sterk, maar het programma houdt de aandacht goed vast door de afwisseling tussen sonate, suite, twee- en driestemmige bezettingen en verschillende stemmingen. De donkere klank van de gamba’s past uitstekend bij de muziek, terwijl het levendige spel ervoor zorgt dat het geheel nergens zwaar wordt.
Als introductie tot Nicolai is dit een bijzonder geslaagde uitgave. De uitvoering is intelligent, energiek en stijlbewust. Het belangrijkste is misschien dat L’Achéron erin slaagt de luisteraar nieuwsgierig te maken naar een componist die tot nu toe grotendeels buiten het repertoire is gebleven. Nicolai blijkt geen vergeten genie, maar hij is wel veel interessanter dan zijn onbekendheid doet vermoeden. Deze cd verdient daarom vooral de aandacht van liefhebbers die graag verder kijken dan de bekende namen uit de barok.
Ricercar RIC483 http://www.outhere-music.com