Anna Besson en A Nocte Temporis benaderen Mozarts fluitkwartetten met een opmerkelijke combinatie van souplesse, helderheid en muzikale discipline. Hun interpretatie is niet spectaculair in de gebruikelijke betekenis van het woord. Ze zoekt haar effect niet in grote contrasten of nadrukkelijke expressie, maar in de kwaliteit van het samenspel en in een zorgvuldige lezing van de muziek. Juist daardoor weet deze opname te overtuigen.
Besson speelt op historische fluit en maakt optimaal gebruik van de bijzondere eigenschappen van het instrument. Haar toon heeft minder vanzelfsprekende rondheid dan die van een moderne fluit, maar bezit daardoor een directe en karaktervolle kleur. Ze schakelt moeiteloos tussen helderheid en warmte en behandelt Mozarts melodische lijnen met grote soepelheid. Vooral haar articulatie verdient aandacht: de muziek blijft voortdurend in beweging, zonder dat de frasering daardoor aan rust of samenhang verliest.
Dat gevoel voor beweging is wezenlijk voor deze interpretatie. De kwartetten worden nergens zwaar aangezet. De snelle delen hebben vaart, maar blijven ontspannen; de langzame muziek krijgt voldoende ruimte zonder sentimenteel te worden. Besson lijkt steeds vanuit de natuurlijke beweging van de muziek te denken. Dat levert uitvoeringen op die elegant zijn, maar nooit vrijblijvend.
Ook de strijkers van A Nocte Temporis nemen een zelfstandige plaats in binnen het muzikale geheel. De viool, altviool en cello fungeren niet als een achtergrond waartegen de fluit zich kan profileren. Ze reageren voortdurend op Besson en nemen geregeld zelf het initiatief. Mozart wordt daardoor hoorbaar als kamermuziek, en niet als fluitmuziek met begeleiding. Dat onderscheid is belangrijk en vormt een van de sterkste punten van de opname.
In K. 285, het bekendste van de vier kwartetten, wordt die aanpak meteen duidelijk. Het Allegro heeft een natuurlijke lichtheid, terwijl het Adagio niet wordt behandeld als een geïsoleerd moment van lyrische schoonheid. De melodie krijgt alle ruimte, maar blijft onderdeel van een groter muzikaal verhaal. Besson vermijdt brede, romantische gebaren en kiest voor een eenvoud die juist door haar precisie overtuigt.
Dezelfde benadering werkt goed in K. 285a en K. 285b. De uitvoeringen zijn levendig en transparant, met veel aandacht voor de onderlinge verhoudingen tussen de stemmen. Kleine motieven krijgen betekenis doordat de musici ze duidelijk laten doorgeven van het ene instrument aan het andere. Dat maakt de muziek bijzonder goed te volgen. Wat op papier soms eenvoudig lijkt, blijkt in deze uitvoering voortdurend in beweging.
K. 298 krijgt een iets ander karakter. Hier komt Mozarts speelse kant sterker naar voren en laten de musici meer ruimte voor humor en onverwachte wendingen. Toch wordt die speelsheid nooit overdreven. De humor zit in de timing, de articulatie en de muzikale reacties, niet in theatrale effecten. Dat is opnieuw een voorbeeld van de terughoudendheid die deze opname als geheel kenmerkt.
De toevoeging van de bewerking van K. 311 is meer dan een curiosum. Ze verruimt het programma en werpt bovendien een interessant licht op Mozarts melodische schrijfwijze. In deze bezetting krijgen bekende ideeën een andere kleur en blijkt hoe gemakkelijk zijn muziek zich laat opnemen in een kamermuzikale context. Het werk sluit daardoor overtuigend aan bij de vier fluitkwartetten.
Wat deze interpretatie uiteindelijk bijzonder maakt, is haar gevoel voor proportie. Besson en haar partners willen Mozart niet moderniseren, dramatiseren of van een extra laag betekenis voorzien. Ze vertrouwen op de muziek zelf. Dat betekent niet dat hun uitvoering neutraal is. Integendeel: de keuze voor lichte articulatie, beweeglijke tempi, duidelijke stemmen en een historische speelstijl vormt samen een uitgesproken interpretatie. Alleen wordt die interpretatie nergens op de voorgrond geplaatst.
Daarmee sluit deze cd aan bij een ontwikkeling binnen de historische uitvoeringspraktijk waarin authenticiteit steeds minder draait om uiterlijke stijlkenmerken en steeds meer om luisteren, reageren en spreken vanuit de structuur van de muziek. A Nocte Temporis laat horen dat historische instrumenten en een historisch geïnformeerde speelwijze niet hoeven te leiden tot een droog of academisch resultaat. Hier blijft de muziek soepel, elegant en menselijk.
Besson is daarbij een overtuigende gids. Haar spel combineert technische beheersing met een opmerkelijke vanzelfsprekendheid. Ze hoeft haar virtuositeit niet te demonstreren; ze gebruikt haar techniek om de muzikale lijn vrij te houden. Vooral in de snelle passages is dat hoorbaar, maar misschien nog sterker in de rustige momenten, waar ze de verleiding weerstaat om ieder detail nadrukkelijk te kleuren.
Deze Mozart is uiteindelijk minder een componist van grote gebaren dan van subtiele verhoudingen. Een kleine verschuiving in accent, een onverwachte harmonische wending of een motief dat van de ene stem naar de andere verhuist, kan de hele muzikale situatie veranderen. Besson en A Nocte Temporis zijn alert op precies die details. Daardoor ontstaat een uitvoering die bij herhaald luisteren eerder aan rijkdom wint dan aan effect verliest.
Wie in deze kwartetten vooral de charmante kant van Mozart zoekt, zal die hier zeker vinden. Maar de opname laat ook horen hoeveel vakmanschap en compositorische verfijning achter die charme schuilgaan. De lichtheid is nooit oppervlakkigheid en de elegantie nooit gemakzucht.
Deze Complete Flute Quartets is daarmee een overtuigend pleidooi voor Mozarts kamermuziek in haar meest natuurlijke vorm: levendig, verfijnd en helder, met voldoende ruimte voor humor én lyriek. Besson en A Nocte Temporis kiezen niet voor een Mozart die indruk wil maken, maar voor een Mozart die spreekt. Dat blijkt uiteindelijk de meest overtuigende keuze.
ALPHA1259 http://www.outhere-music.com