In een tijdspanne van vijf dagen zal hij eerst het Festival van Verbier afsluiten, vervolgens het slotconcert in het Prinselijk Paleis van Monaco verzorgen, om daarna naar Menton te trekken en daar de volgende dag het 77e Festival van Menton af te sluiten.
Een ware duurloop, des te indrukwekkender omdat elk van deze avonden een enorme concentratie en fysieke inzet vereist.
Tussen Alexandre Kantorow en Menton bestaat inmiddels een bijzondere liefdesgeschiedenis. Hier ontdekten we hem in 2018, amper 21 jaar oud, tijdens een recital in het Musée Cocteau, in het kader van de concerten van 18 uur. Een jaar later werd hij de eerste Franse pianist die de gouden medaille won van de prestigieuze Tsjaikovskiwedstrijd. In 2020 ontving hij de Victoire de la Musique Classique in de categorie ‘Instrumentale solist’.
Daarmee begon een bliksemcarrière die hem inmiddels brengt naar optredens met de meest gerenommeerde orkesten, in de meest prestigieuze concertzalen en op de belangrijkste internationale festivals. In 2021 werd hij artist in residence van het Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo, waar hij te horen zou zijn in recitals, als solist met orkest en in kamermuziek.
Maar Menton neemt een bijzondere plaats in zijn parcours in.
Voor dit slotrecital is het programma volledig in overeenstemming met de marathon: bijzonder veeleisend, zowel lichamelijk als mentaal.
Kantorow begint met het Preludium in f klein, naar cantate BWV 12, Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen, van Johann Sebastian Bach, in de bewerking van Franz Liszt.
Het stuk dompelt de luisteraar onmiddellijk onder in een wereld van pijn, angst en wanhoop, voordat de muziek zich geleidelijk opent naar rust en licht.
Kantorow brengt hiervan een prachtige uitvoering, rijk aan details. Bachs meesterwerk, versterkt door Liszts bewerking, krijgt een relatief langzaam tempo, waardoor de pianist iedere nuance van het muzikale betoog hoorbaar kan maken. De klank, helder en diep, steunt op een onberispelijke technische beheersing, terwijl de dynamiek, absoluut doeltreffend, elke frase haar gewicht en richting geeft.
Vanaf de eerste maten is de toon gezet: dit recital zal geen eenvoudige demonstratie van virtuositeit worden, maar een ware muzikale reis, waarin elk werk van de pianist evenveel innerlijke betrokkenheid als beheersing van het klavier lijkt te eisen.
Medtner: het doolhof van de noten
Kantorow vervolgt met de Sonate in f klein, op. 5 van Nikolaj Medtner.
De sonate is als geheel opmerkelijk gestructureerd, zowel qua vorm als qua inhoud. De vier delen zijn met elkaar verbonden door een voortdurende ontwikkeling en worden doorkruist door een diepe beeldtaal en een buitengewoon rijke muzikale gedachte.
Medtner zou ongetwijfeld een plaats verdienen in het Guinness Book of Records voor het aantal noten per maat. Zijn muziek is een waar woud van motieven, tegenstemmen, akkoorden en passages die maar niet lijken te willen ophouden.
Maar tegenover deze overvloed laat Kantorow zich nooit overweldigen. Hij is bovenal een schilder van klank. Hij bezit het evenwicht van een magiër die met klanken kan jongleren en ons ervan kan overtuigen dat deze doos met hamers en snaren zulke magie kan voortbrengen.
Hij ontvouwt een uitzonderlijk rijk klankpalet en laat de verschillende stemmen van de polyfonie naar voren komen zonder het muzikale betoog ooit te verzwaren. Zijn muzikaliteit leidt ons zo door het notendoolhof van Medtners Eerste Sonate, waarvan de complexiteit nooit een obstakel vormt voor de emotie.
De prestatie is des te opmerkelijker omdat Kantorow deze muziek nooit probeert te vereenvoudigen om haar onmiddellijk toegankelijk te maken. Hij aanvaardt de dichtheid, spanningen en abrupte perspectiefwisselingen, terwijl hij tegelijkertijd een duidelijke hoofdlijn bewaart waardoor de luisteraar nooit de draad kwijtraakt.
Na Bach-Liszt verandert de moeilijkheidsgraad dus van karakter. De marathon gaat verder en de pianist lijkt nog maar net begonnen aan zijn versnelling.
Van Chopin tot Skrjabin
Het tweede deel van het programma wordt in één ruk gespeeld, zonder onderbreking. Het recital krijgt daardoor een andere dimensie: de werken volgen elkaar op als verschillende etappes van één en dezelfde reis, met een spanning die alleen maar verder zal toenemen.
Het elegante Preludium in cis klein, op. 45 van Chopin opent dit tweede deel in een bijna onwerkelijke sfeer. Eerst is er een vage droomachtige gewaarwording, die steeds meer omhullend wordt, alsof we een mist binnengaan die geleidelijk dichter wordt.
Kantorow laat de kleinste nuances horen met een verfijning die iets visionairs naar boven brengt. De tijd lijkt stil te staan en we krijgen het gevoel een andere wereld te naderen.
Het contrast met Het lied van de waanzinnige aan de zee van Charles-Valentin Alkan is verbluffend, met zijn betoverende duisternis.
Het werk is fascinerend, bijna profetisch, maar de op herhaling gebaseerde schrijfwijze kan ook problematisch blijken. Toch vormt het een ideale schakel tussen de verontrustende droom van Chopins Preludium en wat daarna komt.
Want met Vers la flamme van Skrjabin slaat het recital werkelijk om.
De stortvloed wordt hysterisch en hypnotiserend, de mystieke visie verandert in een apocalyptische. Skrjabin lijkt de piano tot aan zijn uiterste grenzen te willen voeren, en Kantorow ontlokt eraan klanken die men zelden met zo’n intensiteit hoort. De piano lijkt niet langer slechts een instrument: hij wordt een smeltende massa van klank.
Volumes, lagen, kleuren en lichtflitsen schieten met overweldigende intensiteit uit het klavier. Kantorow haalt uit de piano een sonore kracht die een publiek dat niet gewend is aan zo’n ongebreidelde virtuositeit met ontzag vervult.
Na de dichtheid van Medtner, vervolgens de droom van Chopin en de duisternis van Alkan bereikt de marathon hier een nieuwe etappe. De pianist loopt niet langer: het lijkt alsof hij alles op zijn weg meesleurt.
Beethoven: de tijd stilzetten
Je zou kunnen denken dat de marathon bijna voorbij is. Toch wacht Kantorow nog een van de meest gevreesde uitdagingen uit het repertoire: Sonate nr. 32, op. 111 van Ludwig van Beethoven.
In het eerste deel toont de pianist een ingehouden gewelddadigheid, gedragen door een meedogenloze ritmische strengheid. Niets wordt aan het toeval overgelaten: elk accent, elke stilte, elke breuk draagt bij aan de bijna fysieke spanning die door de muziek loopt.
Dan komt de Arietta.
De tijd staat stil.
Onder de vingers van Kantorow verandert dit thema van goddelijke eenvoud in een transcendente meditatie. De variaties ontvouwen zich met een organische vanzelfsprekendheid; elk ervan lijkt op natuurlijke wijze uit het vorige voort te komen.
En Beethoven verrast opnieuw door zijn buitengewone moderniteit. In sommige variaties geven syncopen, verschuivende accenten en ritmische spelletjes de piano een bijna ‘jazzachtige’ kleur, meer dan een eeuw voordat de jazz bestond. Bij Kantorow wordt deze ritmische eigenaardigheid nooit een kunstgreep: ze maakt vanzelfsprekend deel uit van het muzikale betoog, alsof Beethoven een nog te komen muzikale taal had voorzien.
De muziek ontdoet zich geleidelijk van alle onrust. De laatste bladzijden bereiken een absolute sereniteit, zwevend buiten de tijd.
Na de explosie van Skrjabin leidt Kantorow ons zo naar een geheel andere duizeling: die van de innerlijke stilte.
Wagner-Liszt: de laatste klim naar het licht
Je zou kunnen denken dat de marathon voorbij is.
Maar Kantorow keert terug naar de piano.
Als toegift kiest hij voor Liszts parafrase van de Liebestod uit Richard Wagners Tristan und Isolde. Na de scherpte van Skrjabin en de metafysische meditatie van Beethoven is dit niet echt meer een toegift: het is een laatste klim naar het licht.
Onder de vingers van Kantorow lijkt de piano de menselijke stem terug te willen vinden. Wagners frasen ontvouwen zich met een bijna orkestrale grandeur, de klanken worden geleidelijk breder, terwijl de geduldig opgebouwde spanning verandert in een immense golf van lyriek.
De virtuositeit is er nog steeds, maar verdwijnt achter het zingen. De pianist probeert niet langer indruk te maken: hij lijkt voor de laatste keer de tijd stil te willen zetten.
Na vijf dagen en drie slotconcerten, na Bach, Medtner, Chopin, Alkan, Skrjabin en Beethoven, beëindigt Alexandre Kantorow zijn marathon in een soort extase.
Het publiek heeft duidelijk geen haast om hem te laten vertrekken.
Een laatste ovatie voor een marathonloper die, na zoveel muzikale gebieden te hebben doorkruist, zijn race beëindigt op de plek waar woorden overbodig worden: in het licht.