Een uitverkochte Sint-Rochuskapel vormde zondag het decor voor de opening van het nieuwe seizoen van Klassiek in de Kapel. Met De Rozenkrans Sonates brachten violiste Madoka Nakamaru en organist en klavecinist Wouter Dekoninck een programma waarin Heinrich Ignaz Franz Biber centraal stond, maar waarin ook Dietrich Buxtehude, Jan Pieterszoon Sweelinck en Johann Sebastian Bach hun plaats kregen. Het werd een bijzonder overtuigende ontmoeting tussen virtuositeit, intimiteit en spiritualiteit.
De Rozenkrans Sonates van Biber zijn allesbehalve vanzelfsprekende muziek. Achter hun religieuze inspiratie gaat een buitengewoon inventieve componist schuil die de technische mogelijkheden van de viool tot het uiterste verkende. De verschillende scordatura-stemmingen geven de sonates telkens een eigen klankwereld en stellen tegelijk hoge eisen aan de uitvoerder.
Madoka Nakamaru bleek uitstekend thuis in die wereld. Wat vooral opviel, was de vanzelfsprekendheid waarmee zij de technische moeilijkheden achter de muziek liet verdwijnen. Haar spel was verfijnd en precies, maar nergens koel. Integendeel: haar viool kon helder en levendig klinken, maar even gemakkelijk verstillen wanneer de muziek daarom vroeg. De expressie werd nooit overdreven aangezet. Daardoor behield Biber iets intiems en persoonlijks, zelfs op de meest virtuoze momenten.
Wouter Dekoninck was daarbij veel meer dan een begeleider. Zowel in samenspel met Nakamaru als in de werken voor orgel en klavecimbel bracht hij helderheid en reliëf in het programma. Buxtehude, Sweelinck en Bach vormden geen tussendoortjes tussen de sonates van Biber, maar kregen een duidelijke functie binnen het geheel. Ze verbreedden de blik en plaatsten de katholieke wereld van Biber naast de lutherse traditie van Buxtehude en Bach en de calvinistische context van Sweelinck.
Juist daarin zat een van de sterke punten van het programma. Op papier lijken die religieuze verschillen misschien een musicologisch uitgangspunt; in de kapel werden ze vooral een uitnodiging om te luisteren naar wat deze componisten met elkaar verbindt. Muziek trok zich ook toen al weinig aan van grenzen. Componisten luisterden, leerden en bouwden voort op wat elders gebeurde.
Nakamaru en Dekoninck maakten daar geen theoretische uiteenzetting van. De muziek mocht zelf spreken. Hun samenspel was verzorgd en alert, met voldoende ruimte voor elkaar. Vooral de afwisseling tussen de soms bijna meditatieve wereld van Biber en de grotere architectuur van de orgelwerken zorgde ervoor dat het programma bleef ademen.
En dan was er natuurlijk de Sint-Rochuskapel zelf. Sommige muziek lijkt een ruimte nodig te hebben om volledig tot haar recht te komen. Hier versterkten plaats en repertoire elkaar. De intimiteit van de kapel bracht het publiek dicht bij de uitvoerders, terwijl de historische omgeving als vanzelf aansloot bij de spirituele achtergrond van een groot deel van het programma.
Dat het concert als benefiet werd georganiseerd ten voordele van de Vrienden van de Sint-Rochuskapel gaf die relatie tussen muziek en plaats nog een extra betekenis. De uitverkochte kapel maakte duidelijk dat het publiek die combinatie wist te waarderen.
Met deze Rozenkrans Sonates heeft Klassiek in de Kapel zijn nieuwe seizoen bijzonder sterk geopend. Niet met spektakel, maar met een intelligent samengesteld programma, twee uitstekende musici en muziek die in deze omgeving nauwelijks een betere thuis had kunnen vinden. Biber mocht dan de centrale figuur van de namiddag zijn, de dialoog met Buxtehude, Sweelinck en Bach maakte van het concert een geheel dat nog een tijd bleef nazinderen.