Viool en accordeon in de wereld van Piazzolla

by Knopskaya

Met Piazzolla – Café 1930 brengen violist Daniel Matejča en accordeonist Martin Šulc een overtuigend programma met muziek van Ástor Piazzolla. Het album laat goed horen hoe veelzijdig Piazzolla’s muziek is en hoeveel verschillende kanten er in zijn tango nuevo schuilgaan. De keuze voor viool en accordeon geeft de muziek bovendien een eigen karakter. Het resultaat is een album dat zowel liefhebbers van Piazzolla als luisteraars die minder vertrouwd zijn met zijn muziek gemakkelijk kan aanspreken.

De kracht van deze opname begint bij de samenwerking tussen de twee musici. Matejča en Šulc spelen duidelijk vanuit een sterk gevoel voor elkaar. Hun samenspel is zeer precies, maar nergens klinkt het alsof zij alleen maar proberen de noten correct uit te voeren. Er is ruimte voor vrijheid, spanning en beweging. De viool en het accordeon reageren voortdurend op elkaar. Soms neemt de viool het voortouw en volgt het accordeon als een ondersteunende stem, terwijl op andere momenten de rollen bijna omgedraaid lijken. Daardoor ontstaat een levendig gesprek tussen beide instrumenten.

Dat is vooral interessant omdat de combinatie van viool en accordeon niet de meest voor de hand liggende bezetting is voor alle werken op dit album. Piazzolla schreef sommige van deze muziek oorspronkelijk voor andere instrumenten en bezettingen. Toch klinkt de bewerking hier natuurlijk. De twee musici proberen niet te doen alsof zij een groter ensemble zijn. Juist door de beperkte bezetting krijgen de afzonderlijke stemmen veel ruimte. Dat maakt de muziek direct en persoonlijk.

De titel van het album verwijst naar Café 1930, het tweede deel van Histoire du Tango. Dat werk vormt samen met Suite del Ángel het muzikale hart van de cd. In Histoire du Tango wordt de ontwikkeling van de tango in verschillende periodes geschetst, van Bordel 1900 via Café 1930 en Nightclub 1960 naar Concert d’aujourd’hui. De uitvoering van Matejča en Šulc maakt de verschillen tussen deze delen goed voelbaar. De muziek verandert voortdurend van sfeer, tempo en energie, maar de samenhang blijft behouden.

Café 1930 zelf krijgt een opvallend intieme uitvoering. Het tempo en de frasering geven het stuk een rustig en enigszins weemoedig karakter. De viool zingt als het ware boven de zachte beweging van het accordeon uit. Tegelijkertijd blijft er spanning in de muziek aanwezig. De melancholie wordt daardoor nergens zwaar of overdreven. Het is eerder een muziekstuk waarin herinnering, verlangen en rust samenkomen. Dat past goed bij het karakter dat Piazzolla aan deze periode van de tango gaf.

In Bordel 1900 klinkt een heel andere kant van het duo. Hier is meer lichtheid en speelsheid te horen. De muziek heeft iets beweeglijks en soms zelfs iets ondeugends. Matejča speelt met duidelijke ritmische scherpte, terwijl Šulc met zijn accordeon voor een sterk gevoel van beweging zorgt. De overgang naar Café 1930 krijgt daardoor extra betekenis: de muziek wordt minder uitbundig en meer naar binnen gericht.

Ook Nightclub 1960 is sterk getroffen. Hier wordt de tango moderner en scherper. Piazzolla laat steeds duidelijker invloeden horen uit jazz en moderne klassieke muziek, en Matejča en Šulc benadrukken die ontwikkeling zonder de dansende basis van de muziek kwijt te raken. De uitvoering heeft ritmische spanning, maar blijft helder. In het laatste deel, Concert d’aujourd’hui, wordt de muziek opnieuw anders. Hier ligt de nadruk sterker op de moderne, concertante kant van Piazzolla. Het duo laat horen dat zijn tango veel meer is dan alleen dansmuziek.

Suite del Ángel vraagt weer om een andere benadering. Deze vierdelige suite heeft een sterk wisselend karakter. Er zijn momenten van grote lyriek, maar ook passages met meer beweging en dramatische kracht. Vooral Milonga del Ángel valt op door de levendigheid. De uitvoering kiest hier niet voor een overdreven langzaam en zwaar karakter, maar houdt de muziek in beweging. Dat geeft het stuk meer energie en maakt de tegenstelling met de tragische delen van de suite duidelijker.

De langzame delen van Suite del Ángel behoren tot de meest expressieve momenten van het album. In La Muerte del Ángel ontstaat een donkere en gespannen sfeer, terwijl Resurrección del Ángel juist iets hoopvols heeft. Matejča weet met zijn viool een breed scala aan emoties te laten horen zonder dat zijn spel sentimenteel wordt. Šulc ondersteunt dat niet alleen, maar speelt een zelfstandige muzikale rol. Zijn accordeon kan heel zacht en transparant klinken, maar ook krachtig genoeg om een veel grotere klankwereld op te roepen.

Dat laatste is een van de interessante eigenschappen van deze uitvoering. Het accordeon wordt niet behandeld als een instrument dat alleen voor het ritme of de begeleiding zorgt. Šulc gebruikt het instrument als volwaardige muzikale partner. Daardoor krijgt de muziek een rijk palet aan kleuren. Soms klinkt het accordeon bijna als een bandoneon, wat goed aansluit bij de wereld van Piazzolla, maar de klank blijft tegelijkertijd duidelijk die van een accordeon. Dat geeft de interpretatie een eigen identiteit.

Naast de twee grote suites zijn Ave Maria, Oblivion, Finale (Tango Apasionado) en Escualo opgenomen. Deze werken zorgen voor een goede afwisseling binnen het programma. Ave Maria en Oblivion laten vooral de lyrische kant van Piazzolla horen. Oblivion krijgt een warme, beheerste uitvoering waarin de melodie alle ruimte krijgt. De muziek lijkt eenvoudig, maar juist daardoor is een zorgvuldige verhouding tussen stilte, spanning en melodische lijn belangrijk. Matejča en Šulc weten daar goed mee om te gaan.

Met Finale (Tango Apasionado) en vooral Escualo komt vervolgens de virtuoze kant van Piazzolla naar voren. Hier mogen beide musici laten horen waartoe zij technisch in staat zijn. De muziek is snel, scherp en energiek, maar virtuositeit wordt nooit een doel op zichzelf. Dat is belangrijk, want Piazzolla vraagt niet alleen om technische beheersing, maar ook om gevoel voor ritme en karakter. De uitvoering blijft daardoor muzikaal interessant, ook wanneer de technische moeilijkheidsgraad hoog ligt.

Wat het album als geheel sterk maakt, is de afwisseling tussen intimiteit en kracht. Piazzolla wordt niet gereduceerd tot de componist van de beroemde melancholieke tango’s. Zijn muziek kan verleidelijk zijn, maar ook agressief, speels, humoristisch, dramatisch en modern. Matejča en Šulc laten al die eigenschappen horen. Zij kiezen daarbij niet voor één vaste stijl, maar passen hun manier van spelen aan de verschillende stukken aan.

Er zijn momenten waarop de expressie nadrukkelijk aanwezig is. De musici nemen dan duidelijk vrijheid in tempo en frasering. Dat past bij Piazzolla, wiens muziek ruimte laat voor een persoonlijke interpretatie. Tegelijkertijd blijft de structuur van de composities steeds herkenbaar. De vrijheid leidt dus niet tot willekeur. Dat evenwicht tussen controle en spontaniteit is waarschijnlijk een van de grootste kwaliteiten van deze uitvoering.

Ook de jonge leeftijd van beide musici lijkt hier eerder een voordeel dan een beperking. Hun interpretatie klinkt niet alsof zij Piazzolla vanuit een vaststaande traditie benaderen. Er zit nieuwsgierigheid in het spel en een duidelijke bereidheid om de muziek persoonlijk te maken. Daardoor krijgt een bekend repertoire een frisse uitstraling. Vooral bij stukken die al zeer vaak zijn uitgevoerd, is dat niet vanzelfsprekend.

Een klein punt van aandacht is dat de sterke persoonlijkheid van de uitvoering niet iedere luisteraar op dezelfde manier zal aanspreken. Wie Piazzolla het liefst zeer strak en terughoudend hoort, kan sommige vrijheden in tempo en expressie misschien wat nadrukkelijk vinden. Maar juist binnen de stijl van Piazzolla is dat goed te verdedigen. De muziek vraagt om ritmische flexibiliteit en emotionele betrokkenheid, en die eigenschappen zijn hier duidelijk aanwezig.

Als geheel is Piazzolla – Café 1930 daarom een geslaagd album. De keuze van het repertoire is aantrekkelijk, de combinatie van viool en accordeon geeft de muziek een eigen kleur en het samenspel van Daniel Matejča en Martin Šulc is overtuigend. Vooral de manier waarop zij de verschillende karakters van Piazzolla’s muziek naar voren brengen, maakt deze cd interessant. Van de ingetogen sfeer van Café 1930 en Oblivion tot de energie van Escualo: de luisteraar krijgt een breed beeld van de componist.

Het album laat bovendien zien dat Piazzolla’s muziek nog altijd ruimte biedt voor nieuwe interpretaties. Matejča en Šulc spelen zijn muziek met respect voor de oorspronkelijke stijl, maar zonder zich daaraan volledig vast te binden. Het resultaat is persoonlijk, levendig en muzikaal overtuigend. Café 1930 is daarmee niet alleen een verzameling bekende Piazzolla-stukken, maar een samenhangend programma waarin twee jonge musici duidelijk hun eigen stem laten horen.

Supraphon SU 4355-2 http://www.outhere-music.com

Misschien houdt u ook van:

Wij gebruiken cookies om onze website en de inhoud er van te optimaliseren. Akkoord