Met Organ Music from the Low Countries presenteert Bernard Foccroulle een zorgvuldig samengesteld programma dat de rijke orgelcultuur van de Zuidelijke Nederlanden in de eerste helft van de zeventiende eeuw belicht. De keuze voor componisten als John Bull, Peeter Cornet, Peter Philips en Abraham van den Kerckhoven onderstreept niet alleen de historische betekenis van het Brusselse hof als muzikaal centrum, maar laat ook de veelzijdigheid horen van een repertoire dat lange tijd in de schaduw heeft gestaan van de Noord-Duitse en Italiaanse orgeltradities.
Foccroulle benadert deze muziek vanuit een diepgaande stilistische kennis. Zijn interpretaties worden gekenmerkt door een grote helderheid in de stemvoering en een consequente aandacht voor de contrapuntische structuur. Hij vermijdt nadrukkelijk iedere romantiserende benadering en kiest voor een sobere, transparante speelstijl waarin de compositie zelf centraal staat. Daardoor krijgen de afzonderlijke stemmen een grote zelfstandigheid en blijft zelfs in de meest complexe passages de architectuur van de muziek volledig inzichtelijk.
Een van de sterkste eigenschappen van deze uitvoering is de natuurlijke retoriek. Foccroulle behandelt de muziek als een gesproken discours, waarin frasen logisch worden opgebouwd en cadensen een vanzelfsprekende rust vormen zonder overdreven vertragingen of effectbejag. Zijn articulatie is verfijnd en gevarieerd, waardoor het ritmische profiel voortdurend levendig blijft. Vooral in de fantasieën van Bull en Van den Kerckhoven weet hij spanning op te bouwen door subtiele differentiatie in aanspraak en timing, zonder ooit de onderliggende puls uit het oog te verliezen.
De werken van John Bull behoren tot de hoogtepunten van het programma. In de monumentale Salve Regina weet Foccroulle de afwisseling tussen de verschillende verzen overtuigend vorm te geven. De imitatorische gedeelten behouden hun transparantie, terwijl de meer virtuoze episodes nooit verworden tot louter technisch vertoon. Zijn interpretatie benadrukt de inventiviteit van Bulls schrijfwijze en maakt duidelijk hoe vooruitstrevend diens harmonische taal voor zijn tijd kon zijn. Ook de variaties over Nederlandse melodieën krijgen een levendig karakter, waarbij de dansante elementen elegant worden uitgewerkt zonder hun waardigheid te verliezen.
De muziek van Peeter Cornet vraagt om een andere benadering. Hier overheerst een meer contemplatieve sfeer waarin lange lijnen en zorgvuldig opgebouwde polyfonie centraal staan. Foccroulle kiest voor een beheerste opbouw en laat de harmonische ontwikkeling geleidelijk ontvouwen. Daardoor ontstaat een grote innerlijke rust die uitstekend aansluit bij het liturgische karakter van veel van deze composities. Zijn interpretatie vermijdt iedere vorm van sentimentaliteit en vertrouwt volledig op de intrinsieke kwaliteit van het contrapunt.
Peter Philips vormt binnen het programma een interessante schakel tussen Engelse en continentale invloeden. In Veni Sancte Spiritus komt Foccroulles gevoel voor vocale frasering bijzonder goed tot zijn recht. De lijnen ademen als het ware, terwijl de verschillende stemmen voortdurend met elkaar in dialoog blijven. De uitvoering bezit een zekere elegantie die uitstekend aansluit bij Philips’ verfijnde schrijfwijze.
Bij Abraham van den Kerckhoven verschuift het accent naar een vrijere en meer virtuoze stijl. De grotere vormen vragen om een duidelijke spanningsboog, en juist daarin toont Foccroulle zich een ervaren musicus. Hij laat de muziek organisch groeien en vermijdt een episodische benadering. De verschillende secties vloeien logisch in elkaar over, waardoor de fantasieën als overtuigende muzikale gehelen worden ervaren.
Opvallend is dat Foccroulle nergens probeert deze relatief onbekende muziek groter of dramatischer te maken dan zij is. Hij respecteert de proporties van iedere compositie en laat de historische stijl voor zichzelf spreken. Dat leidt soms tot interpretaties die eerder beschouwend dan spectaculair zijn. Luisteraars die uitgesproken contrasten of demonstratieve virtuositeit verwachten, zouden deze benadering wellicht gereserveerd kunnen vinden. Daar staat tegenover dat de gekozen soberheid de muzikale inhoud des te overtuigender naar voren brengt en een grote stilistische geloofwaardigheid oplevert.
Ook de registratiekeuzes passen binnen deze esthetiek. Ze ondersteunen de structuur van de muziek zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. Kleurverschillen worden functioneel ingezet om vorm en textuur te verduidelijken en niet als zelfstandige effecten. Hierdoor ontstaat een opmerkelijke eenheid tussen instrument, repertoire en interpretatie.
Het programma zelf is uitstekend opgebouwd. De afwisseling tussen omvangrijke fantasieën, liturgische verzen en kortere werken voorkomt monotonie en biedt tegelijkertijd een representatief overzicht van de verschillende stijlen die in de Lage Landen naast elkaar bestonden. Bovendien wordt duidelijk hoe nauw de muzikale uitwisseling was tussen Engelse emigranten als Bull en Philips en de lokale traditie rond componisten als Cornet en Van den Kerckhoven.
Deze uitgave onderscheidt zich uiteindelijk minder door spectaculaire ontdekkingen dan door de uitzonderlijke kwaliteit waarmee een relatief onbekend repertoire wordt gepresenteerd. Foccroulle combineert musicologische kennis met een volwassen muzikaal inzicht en een grote stilistische discipline. Zijn uitvoeringen overtuigen door hun evenwicht, helderheid en respect voor de historische bronnen, zonder ooit academisch of afstandelijk te worden. Daardoor groeit deze cd uit tot een gezaghebbende interpretatie van de orgelmuziek uit de Lage Landen en vormt zij een waardevolle bijdrage aan de discografie van dit repertoire.
Ricercar RIC478 http://www.outhere-music.Com