Barbara Hannigan heeft zich de voorbije jaren ontwikkeld tot een van de meest veelzijdige musici van haar generatie. Ze combineert een internationale carrière als sopraan met die van dirigente en zoekt daarbij vaak naar originele programma’s waarin muziek meer wil zijn dan een verzameling afzonderlijke werken. Ook An American Dream? past in die benadering. De titel eindigt niet toevallig met een vraagteken. Dit album is geen viering van de Amerikaanse droom, maar een muzikale reflectie op een idee dat tegelijk inspirerend en kwetsbaar is.
Het programma is zorgvuldig opgebouwd. Het begint met de suite uit Porgy and Bess van George Gershwin, in de orkestratie van Robert Russell Bennett. Daarna volgt de zelden uitgevoerde Dance Symphony van Aaron Copland. Vervolgens klinkt The Carousel Waltz van Richard Rodgers en ten slotte de suite At the Fair, samengesteld door Hannigan en arrangeur Bill Elliott uit verschillende Amerikaanse musicalsongs. Daardoor ontstaat geen verzameling populaire Amerikaanse muziek, maar een reis door uiteenlopende stijlen die samen een beeld schetsen van een muzikale cultuur waarin klassiek, musical, jazz en volksmuziek voortdurend met elkaar in gesprek zijn.
Vanaf de eerste maten valt op hoe natuurlijk Hannigan met het Göteborgs Symfoniker musiceert. Ze zoekt nooit naar overdreven effecten, maar laat de muziek spreken vanuit haar eigen karakter. De orkestklank blijft helder, ook wanneer de bezetting groot is. Details blijven hoorbaar zonder dat de grote lijnen uit het oog worden verloren.
In de suite uit Porgy and Bess kiest Hannigan niet voor een uitgesproken theatrale aanpak. Ze benadrukt eerder de rijkdom van Gershwins orkestratie en de afwisseling tussen lyrische momenten en ritmische energie. Bekende melodieën krijgen voldoende ruimte om te ademen zonder sentimenteel te worden. Het orkest speelt soepel en kleurrijk, waarbij vooral de houtblazers en koperblazers regelmatig opvallen door hun verzorgde samenspel. De ritmische vitaliteit blijft voortdurend aanwezig, maar wordt nooit opgejaagd.
De Dance Symphony van Copland vormt het zwaartepunt van het album. Dit vroege werk wordt minder vaak uitgevoerd dan zijn latere composities en laat een componist horen die nog volop op zoek is naar een eigen stijl. Invloeden van Stravinsky, jazz en het Franse muziekleven zijn duidelijk aanwezig, maar tegelijk klinkt hier al de Copland die later zo herkenbaar zou worden. Hannigan kiest voor een transparante benadering waardoor de complexe ritmiek overzichtelijk blijft. Ze vermijdt een zware klank en laat de verschillende instrumentengroepen voortdurend met elkaar communiceren. Daardoor behoudt de muziek haar spanning, zelfs in de meer ingewikkelde passages.
The Carousel Waltz vormt daarna een logische overgang. Waar Copland vaak hoekig en ritmisch klinkt, overheerst hier een vloeiende beweging. Hannigan maakt van deze muziek geen puur romantisch orkeststuk. Achter de elegante wals blijft steeds een zekere onrust voelbaar. De lange melodische lijnen krijgen veel aandacht, terwijl de dansritmes licht en beweeglijk blijven. Het resultaat is een interpretatie die zowel de schoonheid als de dubbelzinnigheid van de muziek laat horen.
Pas in het laatste deel treedt Hannigan ook als zangeres naar voren. Dat gebeurt niet als een opvallend solistisch moment, maar als een vanzelfsprekend vervolg van het verhaal dat het album vertelt. Haar stem bezit nog altijd de helderheid en flexibiliteit waarvoor ze bekendstaat. Ze gebruikt weinig zwaar vibrato en kiest voor een directe manier van zingen waarbij de tekst steeds goed verstaanbaar blijft. Ze probeert de liederen niet groter te maken dan ze zijn. Juist door haar sobere benadering krijgen de emoties geloofwaardigheid.
Bill Elliott heeft de verschillende musicalsongs op een natuurlijke manier samengebracht tot één doorlopende suite. De overgangen voelen zelden kunstmatig aan. Hannigan behandelt deze muziek bovendien niet alsof ze uit de klassieke concertzaal komt, maar ook niet als pure Broadway. Ze zoekt een middenweg waarin beide werelden elkaar versterken. Daardoor blijft het programma als geheel overtuigen.
Wat vooral indruk maakt, is de samenhang van het album. Hoewel de vier werken uit verschillende periodes en stijlen afkomstig zijn, ontstaat een duidelijke muzikale lijn. Hannigan laat horen hoe componisten elk op hun eigen manier een beeld schetsen van Amerika: soms hoopvol, soms uitbundig, soms weemoedig en soms onzeker. Dat maakt het programma rijker dan een eenvoudige bloemlezing van bekende Amerikaanse muziek.
Het Göteborgs Symfoniker bewijst opnieuw waarom het tot de vooraanstaande Europese orkesten behoort. De verschillende orkestgroepen spelen met grote discipline en tegelijk met voldoende vrijheid om de muziek levendig te houden. Solistische bijdragen zijn verzorgd zonder ooit de aandacht op zichzelf te vestigen. Het samenspel met Hannigan verloopt vanzelfsprekend, wat niet verwonderlijk is na hun jarenlange samenwerking.
An American Dream? is daardoor meer dan een verzameling goed uitgevoerde composities. Het is een zorgvuldig opgebouwd programma waarin interpretatie en repertoire elkaar versterken. Barbara Hannigan toont zich opnieuw een musicus die verder kijkt dan afzonderlijke werken en zoekt naar een grotere muzikale samenhang. Dat levert een album op dat uitnodigt om in één keer te beluisteren, omdat de betekenis juist ontstaat uit de opeenvolging van de verschillende stukken. Het resultaat is een doordachte en overtuigende uitgave die laat horen hoe veelzijdig de Amerikaanse muziektraditie is en hoeveel verschillende verhalen zij kan vertellen.
ALPHA 1222 http://www.outhere-music.com