Colori della Primavera: Vlaamse componisten en musici in de kijker

by Knopskaya

Met Colori della Primavera brengt piccolo-speler Peter Verhoyen een bijzonder album uit waarop de muziek van zes Vlaamse componisten centraal staat. De cd bevat werken van Robert Groslot, Frederik Neyrinck, Erik Desimpelaere, Jan Huylebroeck, Rudi Tas en Maarten De Splenter. Samen zorgen zij voor een afwisselend programma waarin de piccolo de hoofdrol speelt. Het instrument wordt begeleid door harp, gitaar, elektrische gitaar, althoorn en piano. Die bijzondere combinatie geeft de muziek een eigen karakter. Het resultaat is een album dat laat horen hoeveel mogelijkheden de piccolo heeft en hoe verrassend dit kleine instrument kan klinken wanneer het niet in een groot orkest, maar in een kleine groep muzikanten wordt gebruikt.

De titel Colori della Primavera, wat zoveel betekent als ‘kleuren van de lente’, past goed bij het karakter van deze cd. Net zoals de lente verschillende kleuren, sferen en stemmingen met zich meebrengt, biedt deze muziek een grote verscheidenheid aan klanken en muzikale ideeën. Toch moeten we bij deze titel niet alleen aan vrolijke, lichte lentemuziek denken. De composities zijn ook ernstig, zoekend, speels en soms behoorlijk uitdagend. De luisteraar krijgt geen verzameling eenvoudige melodieën die meteen vertrouwd klinken, maar een programma waarin de muziek regelmatig van richting verandert en waarin de instrumenten elkaar voortdurend lijken uit te dagen.

Een belangrijke rol is weggelegd voor Peter Verhoyen, die de piccolo bespeelt. Dit kleine blaasinstrument heeft een hoge, heldere klank en wordt in een orkest vaak gebruikt om bepaalde melodieën extra kracht te geven of om bijzondere effecten te creëren. Op deze cd krijgt de piccolo echter veel meer ruimte. Het instrument staat niet zomaar op de achtergrond, maar voert het gesprek met de andere muzikanten. Soms klinkt het licht en sierlijk, soms scherp en energiek, en op andere momenten juist rustig en gevoelig. Verhoyen laat duidelijk horen dat de piccolo veel meer is dan een instrument dat alleen hoge noten kan spelen. Hij gebruikt de verschillende mogelijkheden van het instrument op een manier die de muziek kleur en karakter geeft.

Daarbij valt vooral op hoe belangrijk de samenwerking tussen de muzikanten is. De piccolo staat weliswaar centraal, maar de andere instrumenten zijn minstens even belangrijk voor het geheel. De harp kan voor een zachte, bijna dromerige sfeer zorgen, terwijl de gitaar een heel andere kleur aan de muziek toevoegt. De elektrische gitaar biedt bovendien mogelijkheden die je niet meteen met klassieke kamermuziek zou verbinden. Ook de piano en de althoorn geven het programma extra afwisseling. De instrumenten vullen elkaar niet altijd op een eenvoudige manier aan. Soms volgen ze elkaar, soms lijken ze met elkaar in gesprek te gaan en soms ontstaat er juist spanning tussen de verschillende klanken. Dat maakt het luisteren boeiend, al vraagt het ook de nodige aandacht.

Het album opent met Colori della Primavera, opus 142, van Robert Groslot. Dit werk bestaat uit vijf delen met verschillende karakters: Lento, Vivace, Largo, Cinico en Largo pastorale. Alleen al die titels maken duidelijk dat Groslot verschillende muzikale sferen naast elkaar plaatst. Het eerste deel, Lento, heeft een rustig tempo. Daarna brengt Vivace meer beweging en energie. Met Largo keert de muziek terug naar een trager tempo, terwijl de titel Cinico nieuwsgierigheid wekt en een andere, minder vanzelfsprekende sfeer suggereert. Het afsluitende Largo pastorale verwijst naar een landelijke, pastorale sfeer.

De vijf delen vormen samen een kennismaking met de verschillende mogelijkheden van de piccolo en de harp. De muziek is niet voortdurend gericht op een mooie, gemakkelijk herkenbare melodie. Ook de klank zelf speelt een belangrijke rol. De piccolo kan zich boven de begeleiding verheffen, maar kan ook deel uitmaken van een subtiel samenspel waarin de instrumenten elkaar aanvullen of juist tegenwerken. Groslot laat zo horen dat een compositie niet alleen interessant hoeft te zijn door wat er wordt gespeeld, maar ook door de manier waarop de verschillende instrumenten met elkaar omgaan. Zijn werk vormt een passend begin van het album en geeft de luisteraar meteen een idee van de muzikale wereld die volgt.

Daarna volgt de Sonatine – Klangstudie 26 van Frederik Neyrinck, waarin Peter Verhoyen samenwerkt met gitarist Nico Couck. Dit werk vormt een duidelijk contrast met de eerste compositie. De combinatie van piccolo en gitaar is op zichzelf al opvallend. De twee instrumenten hebben een heel eigen klank en vullen elkaar niet vanzelfsprekend aan. De piccolo klinkt helder en hoog, terwijl de gitaar een warmere klank heeft en zowel melodieën als ritmische patronen kan spelen. Daardoor ontstaat een samenspel waarin de verschillen tussen beide instrumenten juist interessant worden.

De titel Klangstudie verwijst naar een onderzoek naar klank. Dat is een belangrijk uitgangspunt bij het luisteren naar deze compositie. De muziek draait niet alleen om melodie en ritme, maar ook om de manier waarop klanken worden gevormd, gecombineerd en tegenover elkaar geplaatst. Het werk vraagt daarom een open luisterhouding. Wie vooral op zoek is naar een herkenbare melodie die gemakkelijk in het geheugen blijft hangen, zal hier misschien wat meer moeite mee hebben. Wie echter aandacht heeft voor de klank van de instrumenten en voor de manier waarop ze op elkaar reageren, kan ontdekken dat er veel te beleven valt. De samenwerking tussen Verhoyen en Couck geeft dit deel van de cd een eigen identiteit.

Met Lied van Erik Desimpelaere keert de muziek terug naar de combinatie van piccolo en harp. De titel roept de verwachting op van een meer melodisch en misschien ook wat toegankelijker werk. De eenvoudige benaming laat veel ruimte voor een persoonlijke luisterervaring. In de combinatie van de hoge piccolo en de harp schuilt in ieder geval een groot contrast tussen helderheid en zachtheid. De harp kan de muziek een lichte en vloeiende ondergrond geven, terwijl de piccolo de melodische lijn naar voren brengt. De twee instrumenten kunnen elkaar aanvullen zonder dat een van beide voortdurend op de voorgrond hoeft te staan. Daarmee vormt dit werk een welkome afwisseling binnen het programma.

Vervolgens horen we Reflections on Bruckner van Jan Huylebroeck. In deze compositie wordt de piccolo gecombineerd met althoorn en piano. De titel verwijst naar Anton Bruckner, de bekende Oostenrijkse componist die vooral bekend is om zijn grote symfonieën en zijn indrukwekkende, vaak plechtige muziek. De titel suggereert een muzikale terugblik of een persoonlijke beschouwing over zijn muzikale wereld. Dat maakt dit werk bijzonder interessant binnen een album dat verder vooral de mogelijkheden van de piccolo in verschillende kleine bezettingen onderzoekt.

De combinatie van piccolo, althoorn en piano is bovendien opmerkelijk. De althoorn heeft een warmere, rondere klank dan de piccolo en kan daardoor voor een interessant tegengewicht zorgen. De piano voegt daar nog een eigen klankwereld aan toe. Door deze drie instrumenten samen te brengen, ontstaat een andere verhouding dan in de werken met harp of gitaar. De piccolo hoeft niet voortdurend alle aandacht naar zich toe te trekken, maar kan deel uitmaken van een groter muzikaal geheel. Het werk laat zo een andere kant van het instrument zien en zorgt voor variatie in het programma.

Rudi Tas is vertegenwoordigd met twee delen uit Nocturnal Dances: Mystical Forest Dance en Dancing Mayflies & Fireflies. De titels spreken sterk tot de verbeelding. Ze verwijzen naar een nachtelijk bos, naar kleine dieren die door de lucht bewegen en naar lichtjes die in het donker verschijnen en verdwijnen. Zonder dat de muziek letterlijk een verhaal hoeft te vertellen, nodigen de titels de luisteraar uit om zelf beelden en indrukken te vormen.

De combinatie van piccolo en harp past goed bij die sfeer. Beide instrumenten kunnen lichte, beweeglijke en verfijnde klanken voortbrengen. De hoge tonen van de piccolo kunnen doen denken aan kleine lichtflitsen, terwijl de harp voor een zachte en beweeglijke begeleiding kan zorgen. De twee instrumenten kunnen elkaar daarbij afwisselen en op elkaar reageren. De muziek krijgt zo een speels karakter, maar behoudt tegelijk iets geheimzinnigs. Vooral het contrast tussen de twee titels is interessant: het ene werk roept een mysterieus bos op, het andere verwijst naar de kleine, beweeglijke lichtjes van insecten tijdens de nacht. Samen vormen ze een van de meest beeldende onderdelen van de cd.

Het album eindigt met de sonate van Maarten De Splenter, die uit drie delen bestaat. Hier wordt de piccolo begeleid door piano. Die combinatie is misschien vertrouwder dan sommige andere bezettingen op de cd, maar ze biedt nog altijd veel mogelijkheden. De piano kan zowel voor ritmische stevigheid als voor melodische ondersteuning zorgen. De piccolo kan daartegenover zijn lichte en heldere klank plaatsen, maar kan ook in een meer gelijkwaardige verhouding met de piano spelen.

Een sonate vraagt doorgaans om een zekere samenhang tussen de verschillende delen. De muziek hoeft daarbij niet steeds hetzelfde karakter te hebben. Integendeel, de afwisseling tussen de delen kan ervoor zorgen dat de luisteraar verschillende kanten van de componist en de uitvoerders leert kennen. De drie delen van De Splenters sonate vormen het sluitstuk van een programma waarin de piccolo telkens opnieuw in een andere muzikale omgeving wordt geplaatst. Het is een passende manier om de cd af te ronden, omdat de luisteraar nogmaals kan ervaren hoe veelzijdig het instrument is.

Een van de grootste troeven van Colori della Primavera is de afwisseling. De zes componisten vertrekken vanuit verschillende ideeën en gebruiken uiteenlopende instrumentale combinaties. Daardoor klinkt het album niet als één lange compositie met steeds dezelfde sfeer. Er zijn momenten waarop de muziek rustig en beschouwend is, maar ook passages waarin beweging, ritme en energie meer op de voorgrond staan. Sommige werken leggen de nadruk op melodie, terwijl andere vooral de mogelijkheden van klank en samenspel onderzoeken. Die verscheidenheid houdt het album levendig en maakt duidelijk dat hedendaagse klassieke muziek veel verschillende gezichten kan hebben.

Tegelijk vraagt deze cd iets van de luisteraar. De muziek is niet altijd onmiddellijk toegankelijk en biedt niet overal melodieën die je na één luisterbeurt kunt meeneuriën. Sommige passages vragen tijd om te begrijpen en te waarderen. Dat is geen tekortkoming, maar wel iets waarmee je rekening moet houden. Wie gewend is aan klassieke muziek met duidelijke thema’s en een vertrouwde opbouw, zal zich misschien even moeten aanpassen. Wie bereid is om rustig te luisteren en aandacht te schenken aan de verschillende klanken, zal meer uit het album halen.

Ook de keuze om uitsluitend met kleine bezettingen te werken, verdient waardering. De piccolo is in het klassieke repertoire vaak verbonden met het orkest, waar zijn hoge klank boven de andere instrumenten kan uitstijgen. Op deze cd wordt het instrument uit die vertrouwde omgeving gehaald. Daardoor worden eigenschappen hoorbaar die in een groot orkest soms minder opvallen. De luisteraar kan de klank van dichtbij volgen en beter horen hoe de piccolo samenwerkt met de harp, de gitaar, de althoorn en de piano. Het instrument wordt niet alleen gebruikt om een bijzonder effect te bereiken, maar krijgt een volwaardige rol binnen de kamermuziek.

De uitvoeringen van Peter Verhoyen en zijn muzikale partners vormen daarbij het hart van het album. Het programma vraagt om flexibiliteit, omdat de piccolo telkens in een andere combinatie en muzikale situatie terechtkomt. De uitvoerders moeten niet alleen hun eigen partij beheersen, maar ook goed naar elkaar luisteren. Bij kamermuziek is dat bijzonder belangrijk: elke muzikant heeft een eigen rol, maar het geheel kan alleen overtuigen wanneer iedereen op het juiste moment ruimte geeft aan de anderen. De verschillende bezettingen zorgen ervoor dat de luisteraar telkens opnieuw een andere verhouding tussen de instrumenten ontdekt.

Colori della Primavera is daarmee vooral een interessante kennismaking met de mogelijkheden van de piccolo in de hedendaagse Vlaamse muziek. Het album brengt zes componisten samen die elk op hun eigen manier met klank, melodie en samenspel omgaan. Robert Groslot geeft met het titelwerk meteen een veelzijdige opening, terwijl de andere composities het muzikale beeld verder aanvullen met uiteenlopende sferen en instrumentale combinaties. De harp, gitaar, elektrische gitaar, althoorn en piano zorgen voor kleur en afwisseling, zonder dat de centrale rol van de piccolo verloren gaat.

De cd is vooral aan te bevelen aan luisteraars die nieuwsgierig zijn naar hedendaagse klassieke muziek en graag nieuwe klankwerelden ontdekken. Ook wie de piccolo vooral kent als een klein instrument dat hoge noten speelt in een orkest, kan hier zijn blik verruimen. Het album laat horen dat de piccolo ook gevoelig, speels, onderzoekend en verrassend veelzijdig kan zijn. Wie op zoek is naar eenvoudige achtergrondmuziek, zal misschien niet elk werk even gemakkelijk vinden. Maar wie met aandacht luistert, krijgt een gevarieerd programma dat uitnodigt om telkens opnieuw iets anders te ontdekken.

Uiteindelijk is Colori della Primavera meer dan een verzameling composities voor een ongebruikelijke instrumentencombinatie. Het is ook een pleidooi voor de piccolo als volwaardig solo- en kamermuziekinstrument en voor de rijkdom van de hedendaagse Vlaamse compositiekunst. De cd bewijst dat een kleine bezetting niet hoeft te betekenen dat de muzikale mogelijkheden beperkt zijn. Integendeel, juist doordat de instrumenten zo dicht bij elkaar staan, ontstaan er interessante gesprekken, onverwachte contrasten en subtiele klankkleuren. Dat maakt dit album tot een waardevolle aanvulling voor wie zijn muzikale horizon wil verruimen en openstaat voor nieuwe, soms verrassende luisterervaringen.

KTC 1882 http://www.outhere-music.com Etcetera Records

 

Misschien houdt u ook van:

Wij gebruiken cookies om onze website en de inhoud er van te optimaliseren. Akkoord